Diagnostisch model 9

Diagnostisch model op de helling? Kind mag weer kind zijn!

Diagnostisch model op de helling?
Kind mag weer kind zijn!

Wordt het tijd dat het diagnostisch model op de helling gaat?
Dagelijks lees ik opmerkingen over kinderen die Retalin moeten slikken omdat ze ADHD zijn gediagnosticeerd. Het kind mag weer kind zijn? Niet in veel gevallen: het kind dient aangepast gedrag te vertonen. Abnormaliteit en andere afwijkingen zijn aan de orde van de dag. Het diagnostisch model sluit kinderen uit of maakt van kinderen neuroten!

De diagnose is een soort wapen geworden waaraan alles wordt opgehangen, maar er is zoveel meer om bij stil te staan en je niet te laten labelen door DSM-V gids (Classificatie van psychische stoornissen).Mijn grote gevecht tegen dit classificatiemodel destijds binnen onze opleiding waarbij de studenten kennis moesten hebben van de DSM-V gids om erkend te worden als therapeut, heb ik op moeten geven! 

Was het boek van Paul Verhaeghe destijds maar uitgekomen: “Over normaliteit en andere afwijkingen”.

Kind speelt, lacht, heeft geen behoefte aan diagnostisch model

Wanneer een ouder of een leerkacht niet tegen het gewiebel van het kind kan, wordt de deskundige ingeschakeld. Die doet enkele testjes – daarover later meer – en plakt het label ADHD op het kind.

Je verlaat de praktijk met een recept Retalin.
Het kind is meer en meer aangepast, afgericht om deel te nemen aan het klassikale systeem waar armpjes over elkaar, stilzitten nog steeds het uitgangspunt zijn.

Destijds toen ik onderwijzer was, kreeg ik weleens reacties van mijn collega’s dat er zoveel herrie was in mijn klas. “Wat was je toch aan het doen, ik hoorde lachen en rennen?”
“Oh ik leer ze de tafels stampen en dat werkt op onze lachspieren!”
Enigszins verward keken ze me aan. Ik was voor hen al een grote uitzondering, aparte leerkracht, die nogal ‘levend’ onderwijs gaf.

Kind in de knel door het diagnostisch model?

Een voorbeeld uit de praktijk zal nogeens duidelijker onderstrepen het belang van de psycho-sociale context. Men mag niet afgaan op een observatie, een test om een label te plakken op een kind.

Destijds aan de Universiteit van Utrecht moest ik mijn ‘test-praktijk’ doen. Je probeert dan te achterhalen hoe groot het taalgebrek van het kind is en hoe goed het begrip van de taal ontwikkeld is.

Daarvoor was een protocol samengesteld. Er stond precies omschreven WAT je mocht zeggen en HOE je het moest zeggen.
Mijn proefpersoon komt binnen: een jongetje uit de Utrechtse achterbuurt. Echt zo’n schoffie als Ciske de Rat. Heerlijk kind om te zien, open, spontaan en tikje brutaal.

Ik begon aan mijn test volgens het protocol en hij haakte volledig af met de woorden: “Waarom ga je nu deftig praten? Ik versta er niks van!”

Onmiddellijk liet ik het protocol los en zei spontaan: “Kijk naar het plaatje en zeg dan wat je ziet….” Achteraf werd ik op het matje geroepen bij de professor: “Je hebt je niet gehouden aan het protocol en daardoor is de test niet valide!”

Welke taal spreekt de leerkracht?

Tijdens mijn docentschap aan de lerarenopleiding in Tilburg deden we eveneens een kleine test via de studenten. Zij namen woordtesten af op de stagescholen en onze conclusie was dat de  taalachterstand begint bij de leerkracht op school. Voor menig leerling spreekt hij/zij een andere taal en kent het kind alleen het dialect van thuis. De thuistaal die veilig voelt en die begrepen wordt.

Nu ben ik een absoluut tegenstander om als leerkracht ook dialect te gaan spreken, maar je kunt altijd nog wel het kind laten merken dat je weet wat hij/zij zegt.

“Ik mot ne bruine draaien” zei een boerenjongetje tegen me toen ik in Berkel-Enschot ging werken aan de basisschool. Ik schoot onmiddellijk in de lach en herhaalde nogeens: “Ne bruine draaien?”

“Jij moet hoognodig naar het toilet? maar je hoeft tegen mij niet te zeggen wat je daar gaat doen hoor!”

Voorstander van kinderdagverblijven

Al jarenlang schreeuw ik van de daken dat vroege kinderopvang gratis moet zijn omdat dit de unieke kans is om de taalachterstand te verkleinen. Wanneer ouders echter voor de opvang moeten gaan betalen, houden juist die ouders hun kinderen thuis die dit het hardst nodig hebben.

Politieke onwil en onkunde zijn hier debat aan!
Er zijn pedagogische bewijzen over de kinderopvang in Israel, waar  jarenlang dit centraal geregeld werd omdat beide ouders werkten.
Kinderen werden door deskundigen en liefdevolle mensen opgevangen. Dat kan alleen maar ten goede komen van het kind.

Waarom zit dit kind niet stil?

Heb je ooit een leerkracht deze vraag horen stellen?
De indoctrinatie van de maatschappij zorgt ervoor dat we ‘stil-zittende’  kinderen op school willen hebben.

Op een dag zat Karin – een meisje van 8 jaar – onvoorstelbaar te wiebelen op haar stoeltje terwijl alle klasgenoten zich ijverig bogen over de sommetjes.
Ik liep op mijn tenen naar Karin toe, hurkte en vroeg: “Waar zit jij aan te denken Karin?” Waarop zij antwoordde: “Mama heeft gezegd dat we vanmiddag frietjes eten…”

Logisch toch dat ze wiebelend op haar stoeltje zat: een en al opwinding over de frietjes bij de lunch. Die zijn toch ook veel aantrekkelijker dan die 40 sommetjes die gemaakt moesten worden.

Wanneer wordt het nu een probleem?
Precies, wanneer Karin elke dag zit te wiebelen. Dan geeft ze een ander signaal af. Je wordt dan als leerkracht gevraagd of je wel inzicht hebt in de psycho-sociale achtergrond van het kind.
*       Wat weet je eigenlijk van die leerling?
*       Ken je de ouders en de achtergrond van de ouders?
*       Zijn er economische problemen in het gezin?
*       Hoe is de relationele sfeer binnen het gezin: zien ouders elkaar nog of gedogen ze elkaar?
*       Groeit het kind op in een samengesteld gezin?
*       Is er belangstelling vanuit de ouders voor de prestaties van het kind? Wordt er gereageerd op
schoolwerkjes die mee naar huis gaan?

Verandering maatschappelijke structuren

Door de jaren heen zijn veel maatschappelijke structuren veranderd. Er is meer hygiene waardoor we allemaal langer en gezonder kunnen leven.
Er is inspraak en men mag betrokkenheid van de ouders bij de opvoeding verwachten. Ouderparticipatie op veel scholen is echter nog steeds de kinderschoenen niet ontgroeid. Leesmoeders zijn leuk en zinvol, mits moeder normaal Algemeen Beschaafd Nederlands kan spreken, anders span je het paard achter de kar.

Met ouderparticipatie ging ik zelf altijd verder:
1.  Ouders betrekken bij het onderwijs door hen te vragen jou te ondersteunen bij klassikale activiteiten;

  1. Ouders afstemmen op het pedagogisch klimaat op school: de kinderen zijn minimal 5 uur per dag aan jou toevertrouwd. Wat is jouw visie op opvoeding en welke visie hebben de ouders? Is daar een overeenkomst in te vinden?
  2. Elk kind is anders. Kun je als leerkracht en ouder dit ook onderkennen? Niet elk kind heeft dezelfde aandacht nodig, sommigen hebben heel veel aandacht nodig omdat ze die thuis niet krijgen en anderen nemen genoegen met minder aandacht.
  3. Samen met ouders werkweken opzetten en vormgeven waarbij het kind in de natuur anders leert dan op school op zijn stoeltje zittend. Het onderscheid kunnen maken tussen cognitieve aandacht, emotionele aandacht en kinesthetische aandacht.

Kinderen moeten zoveel tegenwoordig – voer voor het diagnostisch model?

Mag het kind nog wel kind zijn?
Waaraan moet het kind voldoen wil er een glimlach op het gezicht van de ouders zichtbaar worden?
Wat zijn de gevolgen voor de volwassene wanneer die als kind ontzien is (niet gezien dus)?

Binnen mijn therapiepraktijk van meer dan 35 jaar heb ik pijnlijke voorbeelden gezien van verwaarlozing als kind. Nooit gezien worden, geen aandacht krijgen als kind kan ervoor zorgen dat je als volwassene aandacht opeist, afdwingt en werkelijk ‘onmogelijk’ wordt in het contact met je medemens.
Hoe is dat toch ontstaan? Wat ligt er aan de basis van dit gedrag? Nog niet naar het diagnostisch model gaan zoeken hoor!

Diagnostisch model hanteren of vertrouwen op mijn intuitie?

Guido, zo noem ik mijn client van 7 jaar even, was een vrolijk, druk kind. Zat overal met zijn vingers te trommelen en bleek ook echt muzikaal te zijn.

Dit werkte op de zenuwen van moeder en zij had via de arts Ritalin voorgeschreven gekregen. Het gevolg was dat het altijd zo vrolijke, drukke kind een zombie werd. Hij zat stil op de bank, armpjes over elkaar en met lege ogen volgde hij het gebeuren in huis.

Ouders kwamen bij me met de vraag: “Kunt U wat doen voor Guido want het gaat niet goed met hem?”

Ik vroeg beide ouders of ze uitgekeken hadden naar de komst van Guido, 7 jaar geleden? “Eigenlijk kwam hij op een verkeerd moment want ik had net een nieuwe drukke baan gekregen” zei de moeder. Vader bleef stil. Daarop vroeg ik hem: “Hoe was het voor U om een zoon te krijgen?”

Zijn ogen liepen vol. “Geweldig, ik ben een sportman en ik zag meteen een maatje in hem, maar hij had nergens zin in. Vervelend doen, rotjes afsteken in de buurt, waardoor buren met een kwaaie kop voor de deur stonden!”

In het gesprek bleek trouwens ook dat moeder eenmaal thuis van het drukke werk de waardering miste die ze op het werk wel kreeg. Haar man moest die leegte opvullen waardoor ze er niet echt kon zijn voor haar kind.

“Wat moet Guido van jullie? Wanneer zijn jullie tevreden met Guido?”
“Als hij rustig is, luistert en de boel niet op zijn kop zet!” reageerde een geagiteerde moeder.
“Niet de hele dag op de bank hangen maar met initiatieven komen, dan kan ik daarop inspelen” zei vader.

Wat wil Guido?

Een week later ontmoette ik Guido. Een heerlijk spontaan kind om te zien maar er kwam een zombie binnen. Zijn ouders had ik gevraagd te wachten. Ik wilde immers alleen met Guido zijn.

Zijn lach ontroerde me en ik wees de kuiltjes in zijn wangen aan. Vrij snel kon ik tot de kern komen: “Wat vind jij leuk Guido om te doen?”
“Ik vind van alles leuk als het maar niet rechtop zitten is met mijn armen over elkaar en mijn mond houden…..dan verveel ik me zo. Ik hou van trommelen en buitenspelen met vriendjes, knokken met elkaar en elkaar geen pijn doen, gewoon voor de leut!”

Het diagnostisch model werkt tegen me in het contact met Guido

Guido had zijn  ‘abnormaliteit’ in een oogwenk ontmaskerd: hij wil leven, bewegen, plezier maken en niet afgericht worden!!
In overleg met de ouders ging Guido op vechtsport, kreeg trommelles op de plaatselijke muziekschool. Daar werd hij gezien door de leraar en elke week vertrok hij met een brede smile naar de les.

Ook de sportleraar zag hem en binnen enkele maanden mocht Guido meedoen aan een wedstrijd. Opvallend is dat het op school ook stukken beter ging, de Ritalin was afgebouwd en ik ontving een keer in de maand de ouders op mijn spreekuur voor zelfreflectie. Ik had me niet gericht op het diagnostisch model vanuit DSM-5, maar was vertrokken vanuit mijn hart.

Helemaal geen diagnostisch model gebruiken dan?

Prachtig om ook de ouders te zien veranderen. Mensen deugen zou eigenlijk het uitgangspunt moeten zijn binnen de maatschappij. Totdat het tegendeel bewezen is en dan nog kun jij je afvragen wat er dan toch gebeurd is waardoor die mens op het verkeerde pad is terecht gekomen. Het gebeurt nooit om niks en vaak is de oorzaak te vinden in de eerste zeven jaar van ons leven. Daar wordt men opgevoed of afgericht.

Inzicht hebben in deze zeven constructieve jaren is een vereiste voor elke therapeut: daar word je immers gevormd. Wanneer je daarbij ook kijkt naar de vervulling van de basisbehoeften, heb je al veel diagnostisch materiaal. Dan is de volgende stap: duidelijk krijgen waar de pijn zit:
1. Is er sprake van fysieke pijn?
2. Zie je vooral emotionele pijn?
3. Dien je in te gaan op de mentale pijn?
4. Vertrek je vanuit de ziele-pijn (spirituele pijn)

In een volgend artikel wil ik deze 4 pijnen nader uitwerken. Diagnostiek is absoluut zinvol maar niet heiligmakend. Observeren en inzicht krijgen in de psychische sociale context van je client opent deuren.

 

 

 

Add a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *